Gebruik van de kaart
De kaart moet aan de voorzijde van de auto gelegd worden, op een zodanige manier dat de voorzijde van de kaart duidelijk zichtbaar is voor controle. Het gedeelte met de foto moet, behoudens op verzoek van een bevoegde agent, niet getoond worden.
De kaart is strikt persoonlijk, en kan dus pas gebruikt worden wanneer de gehandicapte zelf het voertuig bestuurt, of er in vervoerd wordt.
In geval van misbruik kan de bevoegde agent de kaart inhouden en terugsturen naar het Ministerie. Daar kan beslist worden geen nieuwe kaart meer af te leveren tijdens de zes maanden die volgen op de datum van intrekking.
De voorwaarden voor het bekomen van een parkeerkaart voor gehandicapten zijn gewijzigd vanaf 1 maart 2003.
Personen die op de schaal van zelfredzaamheid voor het criterium “verplaatsingsmogelijkheden” twee punten halen (grote moeilijkheden, grote bijkomende inspanning, of uitgebreid beroep op bijzondere hulpmiddelen) kunnen voortaan ook een parkeerkaart bekomen. Mensen met ernstige hartproblemen of die zware astma hebben komen nu ook in aanmerking voor een parkeerkaart.